Fragment uit: Waterdenkers

Het is niet meer wat Het was.

Vroeger leefde Het onder water of beter nog: in het water. Elke kleine of grotere watermassa trok Het aan. Oké, Het had wel lucht nodig om in te ademen maar tweemaal per etmaal volstond ruimschoots.

Het heeft geen naam. Waarom ook, Het is volgens hetzelf alleen in diens omgeving. Er is geen ander wezen zoals Het in de buurt om te benoemen of om benoemd te worden. Het heeft geen geslacht en Het plant zich niet voort zoals de meeste dieren of planten. Het heeft geen seks in welke vorm dan ook. Je kan zelfs zeggen dat Het zich niet kan vermenigvuldigen tenzij per toeval.

Het voedt zich met water, massa’s water, en met die kleine onzichtbare diertjes en plantjes en alles daartussenin die steeds in het water zwemmen. Zelf wordt Het door andere dieren niet opgegeten. Het is te groot voor de vissen die dichtbij de oevers zwemmen, en Het waagt zich niet ver van de oever of heel diep in de zee.

Om lucht te happen komt Het aan de oppervlakte en heel soms aan de grens tussen water en land.

Het kan niet lang op zand of aarde of op een rots liggen want als de zon schijnt droogt Het snel uit en dan moet Het zich uit de voeten maken (bij manier van spreken) en zich verspreiden in aaneenhangende fijne straaltjes om weer in een rivier of meer of plas te belanden. Als dat niet lukt sterft Het af.

Het ideaal moment om een uitstapje te maken is wanneer het regent. Dan kan Het niet uitdrogen, beter nog Het kan zich constant voeden aan vers water.

Maar zoals ik al zei: Het is niet meer wat Het was.

Het ontwaakt

Vissen kruipen door mijn lijf, waterkevertjes dansen met hun pootjes op mijn huid. Het water rondom mij ruist en golft, spat en twinkelt. Een maan vol kraters scheert langs de hemel en blust alle sterren.

Nu zie ik de – intussen halve – maan in donkerblauw licht. Aan de andere kant van de hemel roze strepen door lichtgrijze wolken. Het is ochtend. Mijn dromen die ik graag wil vasthouden vervagen en verdwijnen zo snel als de sterren aan het firmament. Toch weet ik
dat ze voortleven in de rimpelingen van mijn oppervlak, in de diepste plooien van mijn tentakels. Soepel als ik ben, rek ik me uit rond de planten en vissen die deze plas bevolken. Honger knaagt en ik heb me slechts te openen voor al dat voedzaams dat rondom mij zweeft.
Onzichtbaar transformeren minuscule organismen van de simpelste soort in cellen die deel uitmaken van mijn lijf. Ik word voller en groter, ik voel me ei zo na compleet. Ik zou zo weer kunnen indommelen maar dat zou spijtig zijn voor die gemiste stonden.

Er is die drang. Een drang om op zoek te gaan naar meer. Naar meer van mij: groter, breder, voller. Ik ben alleen op de wereld. Nog nooit ontmoette ik er een als mezelf. Ik weet het, ik ben moeilijk te vinden, moeilijk te onderscheiden van het water dat me omgeeft. Ik ben ervan overtuigd dat de vissen en planten en andere wezens om me heen niet beseffen dat ik er ben. Maar ik weet dat ik ben. Dat er een hier en nu is.

Ik heb me al genoeg afgevraagd: hoe zou het zijn mocht ik er niet zijn? Hoe zou het zijn indien alles rondom mij en alles dat verder weg is zoals die maan, er niet was. Een leegte. Een niets. Zou er een niets kunnen zijn, onmetelijk ver in alle richtingen? Mocht er voorbij
dat niets, onzichtbaar en dus onweetbaar, heel ver weg alleen maar een pinkende ster zijn. Zoals de ochtendster die nu nog even aan de hemel staat. Wie weet hoe ver die ster van mij, van dit hier allemaal, verwijderd is. Dan zou er alleen het grote niets zijn met daar binnenin een ster die knipoogt. Neem nu dat die ene ster er is, helemaal alleen in de hemel. Een beetje zoals ik hier in deze licht golvende plas. Zou die ster zich dan ook afvragen: ben ik echt helemaal alleen? Is er nergens ver weg geen onzichtbare, doorzichtige en onbelichte plas waarin iemand zwemt. En die mij mist?

Terwijl ik dit bedenk zie ik een zon voorbij schuiven. De zon volgt het licht aan de hemel en de warmte in deze plas. Het is prettig om de warmte te voelen en het is verleidelijk om mijn denken te laten overgaan in dromen. Maar als ik dit doe, dan krimp ik want mijn lijf verdampt. Dus blijf ik actief en strek mijn moede leden uit om water en voedsel op te nemen dat rondom mij, ook onder mij, onbeperkt aanwezig is. Zo word ik groter en kan ik meer waarnemen, meer voelen en beter denken.

Snel verdwijnt de zon aan de einder en laat sporen na van duisternis. Niet voor lang want twee manen laten zich zien. Die ene maan van deze ochtend is er al terug, de witte met pokdalige kraters. Ze wordt gevolgd door een kleinere, lichtroze maan die haar reis tussen de sterren veel trager aflegt. Ze is nog niet halfweg als ze verdwijnt in het licht van de zon die er al terug is. Intussen ben ik groter geworden.

Ik reik naar de monding van een rivier om me straks te verenigen met een zee. Tintelingen van welbehagen doorstromen mijn hele wezen dat rimpelt door schuimende golven die mij vervoegen.