Proloog
Het leven was veel eenvoudiger toen. Alle waarheden baadden in een vanzelfsprekende zekerheid. Bovenal bemin één God. Vader, moeder zult gij eren. Steeds met twee woorden spreken maar zwijgen als de grote mensen praten. Doe nooit wat onkuisheid is en u elke week vanonder wassen. Meisjes moeten moeder helpen in het huishouden en jongens moeten vooral goed studeren. Voor hun toekomst.
Mijn ouders hadden de oorlog meegemaakt, mijn grootouders zelfs twee keer. Wij, de jongeren, niet, maar we kenden de verhalen. Nee, niet alle verhalen van wit en zwart, wel die van honger en bittere kou. Of die van vechten voor de vrijheid, van onderduiken en vluchtelingen herbergen. Na de oorlog werd de nieuwe orde vervangen door een nieuwe moraal. Het gezin als hoeksteen van de samenleving, de zegen van vele kinderen, hard meewerken aan de wederopbouw. En zie wat het had opgebracht: vijftien jaar later hadden vele gezinnen een ijskast en een wasmachine, sommigen hadden een televisie of reden met een auto. Wie dat allemaal nog niet had, die spaarde ervoor.
Met de armen gekruist zat ik op de schoolbanken. We zwegen tot wanneer ons iets werd gevraagd, of tot de les met de ganse klas moest worden opgedreund. We leerden schrijven met een ballonpen en vuile blauwe inkt. Later met vlekkerige balpennen en hun irriterende klik-geluidjes. Saaie lessen en eindeloze oefeningen voor taal en rekenen. Ongeïnteresseerd droomde ik weg bij de lessen godsdienst, gewijde geschiedenis en aardrijkskunde. Geboeid luisterde ik naar de verhalen uit de echte geschiedenis, van de Oude Belgen tot de Slag aan de IJzer. Mijn hoogtepunten van de week waren tekenen en zingen. En als huiswerk een opstel schrijven.
Vier keer per dag proefde ik van de vrijheid op weg naar en van de school. Vrienden maken, verhalen vertellen, boekentassen-gevecht houden, belleketrek doen. Een nieuwe omweg uitproberen en onbekende plekken van de stad ontdekken. Een driehoekje groen, een speelpleintje, een pad langs de waterkant, een verborgen monument.
De vakanties hielden de belofte in van twee maanden volledige vrijheid. Vergeet het maar. Thuis vond vader wel elke dag een karweitje voor mij zodat ik me nuttig kon maken en niet mijn tijd zou verspillen met lezen of lanterfanten. Of erger nog: met slechte kameraden. Onze familie was groot genoeg, zei vader, we moesten elders geen vrienden zoeken. Wat een geluk dat ik elke zomer voor een maand bij mijn grootouders mocht logeren, weg van het bekrompen huis in de voorstad, naar het hartje van Gent. Een warm en gastvrij nest waar meestal nog meer familie kort of lang op bezoek kwam. Tantes en nonkels, maar waar ik vooral mijn neef Gilbert en achterneef Martin kon terugzien. En soms mijn nichtje Giselle.
Mijn grootouders woonden in een smal maar hoog rijhuis op de Nederkouter. Een huis met donkere hoeken en vertrouwde geluiden. Boven waren er twee verdiepingen met elk drie kamers, plaats genoeg om alle bezoekers van een bed te voorzien. Via deze conciërgewoning was er vanuit de achterkamer een rechtstreekse toegang tot de lokalen van de openbare dienst Bruggen en Wegen. Mijn bompa werkte daar als bode en mémé poetste er ’s avonds de burelen.
Na de werkuren werd het domein van Bruggen en Wegen voor de jongeren een groot speelterrein, een echt paradijs met onvermoede mogelijkheden en vele hoekjes om te ontdekken. Er was het poorthuis waar vroeger koetsen met paarden stopten, nu een ideale plek om met de bal te spelen. Van daaruit leidde een brede marmeren trap naar de vestibule waar we konden knikkeren of met soldaatjes spelen. De tientallen burelen waren verboden gebied, dus dubbel aantrekkelijk om er toch een kijkje te nemen. We konden buiten spelen op de ruime binnenkoer waar ook de fietsenstallingen, buxus perkjes en een perenboom stonden. Een deur onder een afdak gaf toegang tot een trap naar een labyrint van kelders, ook verboden terrein. Een doorgang in het verste kantoorgebouw kwam uit op een verwilderde tuin die uitgaf op de Leie. Aan de rand van het water stond een paviljoentje dat ooit werd gebruikt als theehuisje of liefdesprieeltje.
Het was de zomer van 1961. Enkele jaren later zou de wereld, ook mijn wereld, er heel anders uitzien. Wie kon vermoeden dat de eerste zekerheden toen al begonnen af te brokkelen?
Wil je graag een groter fragment lezen van de roman Niets zal nog hetzelfde zijn?
klik dan hier.